Geschiedenis

De geschiedenis van een beginselpartij


Wie de ChristenUnie goed wil begrijpen, moet haar geschiedenis kennen. Dit klinkt vreemd voor een politieke partij die is opgericht in 2000, maar dit heeft als reden dat de ChristenUnie is ontstaan uit twee beginselpartijen (1): het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) en de Reformatorische Politieke Federatie (RPF).

De ChristenUnie is niet ontstaan als reactie op de huidige politieke situatie, zoals bijvoorbeeld Leefbaar Nederland. Natuurlijk hebben de ontwikkelingen in Den Haag een rol gespeeld bij het naar elkaar toe groeien van de twee partijen, maar de ChristenUnie is in de eerste plaats opgericht om politiek te kunnen bedrijven vanuit een christelijk fundament. Haar voorgangers RPF en GPV hebben ook altijd geprobeerd antwoorden te formuleren voor maatschappelijke vraagstukken met de Bijbel als uitgangspunt. Het ´beginsel´ is de rode draad die door de geschiedenis van de partijen loopt, van de ChristenUnie via de RPF, het GPV en de Anti Revolutionaire Partij (ARP), zelfs anderhalve eeuw terug naar de staatsman Groen van Prinsterer.

De geschiedenis van de ChristenUnie wordt in dit hoofdstuk behandeld in vier perioden. Ten eerste de honderd jaar tussen het toetreden van Groen van Prinsterer tot de Tweede Kamer en de oprichting van het GPV (1849-1948). Daarna volgt de periode van het ontstaan van het GPV, de discussies rondom het toelaten van het Nationaal Evangelisch Verband (NEV) bij het GPV en het ontstaan van de RPF (1948-1975). Het tijdvak waarin de RPF en het GPV gescheiden optrekken vormt de derde periode (1975-1993), waarna ten slotte het tijdvak volgt waarin de ChristenUnie is ontstaan (1993-heden).


1975-1993

In 1977 deed de RPF met lijsttrekker J.P.M. Rietkerk mee aan de verkiezingen, maar zonder succes. De deelname van de RPF zorgde echter wel voor een verbrokkeling van het christelijke electoraat en kostte het GPV tot veler frustratie één zetel. De vrijgemaakt-gereformeerde partij moest zich nu opnieuw gaan bezinnen over haar ´gesloten´ karakter. Tussen beide partijen ontstond vanaf dat moment een haat-liefdeverhouding.

RPF, GPV en SGP naast en met elkaar
In 1981 werden opnieuw verkiezingen gehouden. Dit keer lukte het de RPF om door middel van een lijstverbinding met de SGP met twee man in de Tweede Kamer te komen: M. Leerling en drs. A. Wagenaar maakten hun entree. Ook het GPV en de SGP kregen nieuwe gezichten in de Kamer, respectievelijk G. Schutte en ir. B. van der Vlies. De kleine christelijke fracties hadden nu in totaal zes zetels, terwijl het grote CDA de politiek domineerde.

Het GPV weigerde een lijstverbinding met de RPF aan te gaan. Toch werd binnen het GPV van verschillende kanten de houding van de eigen partij ten opzichte van de reformatorisch politieken bekritiseerd. Een zeventigtal prominente en minder prominente GPV´ers ondertekende in 1981 een oproep aan het bestuur om een lijstverbinding met de RPF aan te gaan. Bij de daaropvolgende verkiezingen vormden het GPV, de RPF en de SGP een horizontale lijstverbinding.

Heftige spanningen tussen Leerling en Wagenaar zorgden in de jaren tachtig voor een breuk. De RPF koos de kant van Leerling en Wagenaar verliet de partij. Hij deed met een eigen lijst, AR ´86, mee aan de verkiezingen van 1986. Hij kwam niet in de Kamer, maar het gevolg was wel dat de RPF veel electoraat verloor en haar tweede zetel moest inleveren.

Bij de verkiezingen van 1989 behaalde het GPV een tweede zetel dankzij het populaire Kamerlid Schutte. E. van Middelkoop kwam de eenmansfractie versterken. De SGP en de RPF bleven staan op respectievelijk drie zetels en één zetel. Pas in 1994 boekte de RPF weer zetelwinst. Onder leiding van L. van Dijke wist de partij toen drie zetels te bemachtigen. Naast hem kwamen mr. A. Rouvoet en D. Stellingwerf in de Kamer. Het GPV en de SGP behielden hun zetels tijdens deze verkiezingsronde. Samen bemanden de kleine christelijke partijen nu acht zetels in de Tweede Kamer. Na deze verkiezingen liet de roep om samenwerking de twee nagenoeg identieke partijen RPF en GPV niet meer met rust.


1993-2000 De ChristenUnie daagt
De vrijgemaakt-gereformeerde zuil had eind jaren tachtig, begin jaren negentig met een aantal ontwikkelingen te maken. Ten eerste was er na twaalf jaar eindelijk zetelwinst voor het GPV: het ´Schutte-effect´. Daarnaast besloot het Nederlands Dagblad (ND) als eerste vrijgemaakte organisatie zijn statuten te verruimen. Het ND wilde niet meer uitsluitend een krant voor vrijgemaakten zijn en begon bijvoorbeeld redacteuren uit andere kerken aan te nemen. In de derde plaats groeide de kritiek op de gesloten cultuur van de eigen zuil. De kerk was in beweging en de drang om naar buiten te treden nam voorzichtig toe. Vooraanstaande GPV´ers, zoals de ethicus prof. dr. J. Douma, pleitten steeds vaker voor een ´open´ partij.

Het ND kreeg in 1993 navolging van het GPV. Na een interne discussie verruimde de partij het ledenbeleid, zodat ook andere confessionele christenen bestuurlijke functies konden vervullen binnen het GPV. Deze ´openstelling´ betekende het startsein voor de toenadering tot de RPF. Het formele verschil tussen de twee partijen werd nu immers wel heel klein. Voor de buitenwereld gebeurde er de eerste jaren nog weinig, maar in de ´wandelgangen´ veranderde de toon van veel GPV´ers. Men begon openlijk te discussi‘ren over toenadering tot de RPF. Prof. dr. R. Kuiper, nummer vier op de RPF-lijst van 1994 en vanaf 1995 directeur van het wetenschappelijk instituut van de RPF, en de GPV´er Verbrugh pleitten na de verkiezingen van 1994 in een artikel in het ND voor een ´lichte confederatie´: één programma en één lijst. Op het artikel volgden negatieve, maar ook veel positieve reacties. Ook van de zijde van de RPF oefende men publicitaire druk uit.

Pas eind 1995 voerden de besturen van het GPV en de RPF informeel overleg over verdere samenwerking. Na een serie gesprekken vroeg de RPF in 1996 officieel aan het GPV om bij de verkiezingen van 1998 met een gezamenlijke lijst uit te komen. Het GPV realiseerde zich dat deze stap definitief zou zijn en nam het ´dubbelbesluit´. Dit hield in dat de partij de komende verkiezingen nog geen gezamenlijke lijst met de RPF zou vormen, maar daarna wel officieel met de partij om de tafel zou gaan zitten om mogelijkheden te verkennen. Het GPV maakte dit besluit via de pers bekend. Binnen de RPF was men enerzijds teleurgesteld over de terughoudendheid, maar anderzijds blij met het toekomstperspectief.

Inschikken en opschuiven
Het eerste belangrijke punt voor de beide beginselpartijen was om na te denken over de grondslagen. Op 27 maart 1996 werd een grondslagencommissie in het leven geroepen met als leden: R. Kuiper, W. van Grootheest, W. Hendriks en A. Rouvoet namens de RPF en L. Hordijk, A.T. Kamsteeg, E. van Middelkoop en J. Ophoff namens het GPV. De besturen zaten intussen niet stil en kwamen op 15 november 1997 met de nota ´Samenwerken in perspectief´. Een ´verloving´ tussen de twee partijen, want daarmee maakten ze bekend intensief te willen gaan samenwerken. De Tweede-Kamerfracties presenteerden op 7 februari 1998 een manifest waarin ze hier eveneens voor pleitten. Zij wilden onder andere voortaan met gezamenlijke woordvoerders naar buiten treden. Kort daarna vergaderden de fracties voor het eerst samen.

Op 18 juni 1998 constateerde de grondslagencommissie dat één politiek organisatorisch verband mogelijk moest zijn. Zij presenteerde tevens een ontwerpgrondslag voor de nieuw te vormen partij. (8) Op advies van de commissie besloten de GVR en de Federatieraad (het RPF-bestuur) het traject voort te zetten. De leden van beide partijen mochten zich tussen oktober 1998 en april 1999 via de kiesverenigingen uitspreken over de plannen.

Transformatie, een tijdelijke en ´losse´ club van jonge mensen, vond het allemaal te voorzichtig en te omslachtig gaan. Middels kleine fora en artikelen in de krant werd het vuur opgepord, want de discussie tussen de partijen moest verdiept en verscherpt worden, vond Transformatie.

De besturen van de RPF en het GPV constateerden op 24 april 1999 dat gezamenlijk politiek optreden gesteund werd door een groot deel van de achterban. Het draagvlak voor een fusie van de partijorganisaties bleek echter veel kleiner te zijn: tachtig procent van de GPV´ers wilde het eigen ledenbeleid behouden, veertig procent van de RPF´ers eveneens.

De landelijke besturen stelden in juni van dat jaar een projectgroep en enkele werkgroepen in, die gingen werken aan voorstellen voor intensievere samenwerking. In de projectgroep namen plaats: H. Bouma (GPV), J. Cnossen, (voorzitter GPV), M. van Daalen (voorzitter RPF), M. van de Groep (GPV), Van Grootheest (RPF), A. Pothof (RPF), B. Roor (RPF) en M. van der Zee (GPV). Op 21 oktober 1999 presenteerden de partijbesturen hun plan voor de vorming van een unie: de partijen zouden politiek volledig fuseren, maar organisatorisch zouden de RPF en het GPV als eenheden blijven bestaan.

Ook de jongerenorganisaties van beide partijen wilden niet langer separaat van elkaar blijven bestaan. Een unie vonden de jongerenbesturen voor hun verenigingen echter een onwerkbare constructie. Ze besloten ´de moederpartijen tot voorbeeld te zijn´ en kozen voor een volledige fusie. Op 13 mei 2000 stemden de leden in met het advies van de besturen, onder leiding van de voorzitters K. de Snoo (Gereformeerd Politiek Jongeren Contact), drs. H. Valkenburg (RPF-jongeren) en fusiewerkgroepcoördinator drs. T. Van Stuijvenberg. Al op 23 september was de fusie rond en was PerspectieF, de jongerenorganisatie van de ChristenUnie, geboren. PerspectieF kwam onder leiding te staan van het voorzittersduo drs. A. van Kalkeren en H. Valkenburg.
22 januari 2000
Op 22 januari 2000 zetten de moederpartijen de eerste officiële stap. Tijdens een gezamenlijk congres in Ede (Gld) gaven de kiesverenigingen van het GPV en de RPF groen licht voor een politieke fusie en een organisatorische unie. Met een presentatie voor de media en het zingen van het lied "Samen in de naam van Jezus" werd de ChristenUnie voor eigen publiek en voor de pers gepresenteerd.

Van Daalen, sinds mei 1998 RPF-voorzitter, werd op 27 mei 2000 gekozen tot voorzitter van de ChristenUnie. Kort daarna gingen de Tweede-Kamerfracties op in één ChristenUnie-fractie, onder leiding van Van Dijke. Op 1 februari 2001 zette Schutte een punt achter twintig jaar Kamerlidmaatschap. GPV-er Arie Slob nam zijn plek in. Diezelfde maand werd senator K. Veling door het bestuur voorgedragen als eerste lijsttrekker van de ChristenUnie. Hij werd gekozen tijdens het derde Uniecongres.

Tijdens datzelfde congres werd een motie van PerspectieF aangenomen om binnen twee jaar toe te werken naar een organisatorische fusie. Het tij was blijkbaar snel gekeerd. Wat aanvankelijk ongewenst en niet nastrevenswaardig genoemd werd, wilden de kiesverenigingen twee jaar later tóch bereiken: een volledige fusie tussen de twee partijen. Dit proces moet volgens de motie vóór 2003 worden gestart.

2000-heden Lokale unievorming
Na het besluit tot de vorming van de ChristenUnie stond de uniering op lokaal niveau centraal. Doel was om in 2002 bij de gemeenteraadsverkiezingen in zoveel mogelijk gemeenten als ChristenUnie deel te nemen aan de verkiezingen. Voor die tijd waren er al enkele herindelingsverkiezingen waar de ChristenUnie voor het eerst deelnam aan de verkiezingen. Lokale afdelingen van RPF en GPV gingen in rap tempo samen in lokale ChristenUnies. In elke provincie waren er zogenaamde unieconsulenten om de kiesverenigingen te ondersteunen bij de uniering. Ook de provinciale verenigingen gingen een unie aan.

ChristenUnie op de kaart
De gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart 2002 waren de eerste grote testcase voor de ChristenUnie. De doelstelling van de ChristenUnie was om bij de lokale verkiezingen een groei te ‘bewerkstelligen‘ van 15%. Op 6 maart werd een groei van 8% van het aantal stemmen en 6 tot 8% (9) van het aantal zetels behaald. De ChristenUnie won – gelet op de percentages per plaats - in 124 gemeenten, maar verloor in 74 plaatsen. Qua zetels won de ChristenUnie bijna nergens meer dan één zetel, bleef zij gelijk in 141 gemeenten en verloor zij één zetel in twintig plaatsen. (10)

In het kader van de vorming van de ChristenUnie was er speciaal aandacht geweest voor de zogenaamde ´Witte Vlekken´, plaatsen waar de ChristenUnie nog niet vertegenwoordigd was in de raad. Dit plan was redelijk succesvol. In de gemeenten Wieringermeer, Franekeradeel, Kapelle, Lingewaal, Rozenburg, Sneek, Winschoten, Ouderkerk (2 zetels!) en Heerhugowaard haalde de ChristenUnie voor het eerst een raadszetel. In andere gemeenten werd de kiesdrempel soms op een paar stemmen na niet gehaald. Er was een spectaculaire stemmengroei in Amsterdam (100% groei van 0,7% naar 1,4%), maar dit was net niet genoeg voor een zetel. Wel werd voor het eerst een zetel gehaald in de stadsdeelraad van Amsterdam Zuidoost.

Opvallend was de groei in het aantal ChristenUnie-wethouders (van 38 naar 63 wethouders; dat is een groei van 66%). In veel gemeenten werd de jarenlange inzet van RPF en GPV fracties beloond met een wethouderspost. Door de invoering van het dualistische stelsel, waardoor wethouders geen plaats meer hadden in de raad, kwam er plaats voor nieuwe raadsleden voor de ChristenUnie.

15 mei 2002
Met de verkiezingen voor de Tweede Kamer op 15 mei 2002 zouden voor het eerst vertegenwoordigers van de ChristenUnie in de Kamer worden gekozen. De aanloop naar deze verkiezingen was ongekend spannend. De opkomst van Pim Fortuyn - eerst als lijsttrekker van de nieuwe partij Leefbaar Nederland, later als lijsttrekker van de Lijst Pim Fortuyn (LPF) - voorspelden een aardverschuiving in de Nederlandse politiek ten koste van de paarse regeringspartijen PvdA, VVD en D66.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen haalden lokale partijen spectaculaire winsten. Fortuyn kwam met 17 zetels in de Rotterdamse gemeenteraad. De resultaten van de gemeenteraadsverkiezingen stemden voor de ChristenUnie hoopvol voor de landelijke verkiezingen op 15 mei 2002. In de maanden voorafgaande aan de verkiezingen stond de ChristenUnie bovendien permanent op 1 a 2 zetels winst. (11) Het CDA bleef in de peilingen stabiel rond de 30 zetels.

Met de moordaanslag op Pim Fortuyn op 6 mei 2002 veranderde echter alles. De verkiezingscampagnes kwamen stil te liggen, maar de verkiezingen zouden doorgaan. Naar de verkiezingsuitslag kon alleen maar gegokt worden. Zou de LPF door de aanslag stemmen winnen of zouden stemmers teruggaan naar de traditionele partijen? De maandag voor de verkiezingen stond de ChristenUnie in een peiling van het NIPO nog op 4,3% wat goed zou zijn voor 6 zetels. Interview gaf een dag later 3,4%, 5 zetels. De klap kwam dan ook op de avond van de verkiezingen hard aan. De ChristenUnie haalde slechts 2,5% (verlies van circa 40.000 stemmen), goed voor 4 zetels dankzij de lijstverbinding met de SGP. De SGP haalde welliswaar zo´n 10.000 stemmen meer maar moest ook een zetel inleveren. Ervaren kamerlid Dick Stellingwerf en net ingewerkt kamerlid Arie Slob moesten de fractie verlaten. Een week na de verkiezingen bleek ook Eimert van Middelkoop zijn zetel te moeten opgeven. Tineke Huizinga-Heringa (nummer 7 op de kandidatenlijst) was als eerste vrouw op de lijst met voorkeurstemmen verkozen tot kamerlid.

Bouwen aan de Basis
De onverwacht teleurstellende resultaten van de verkiezingen waren voor het bestuur aanleiding de verkiezingscampagne grondig te evalueren. De directeuren van het Wetenschappelijk Instituut en het Landelijk Bureau, Roel Kuiper en Peter van der Bijl, kregen de opdracht een evaluatierapport te schrijven. Op 22 juni werd in Barneveld een extra UnieCongres georganiseerd waarin werd gesproken over de aanbevelingen uit dit rapport "Bouwen aan de Basis" en werd gestemd over 27 door kiesverenigingen ingediende moties.